Preek door ds. J.W.Tunderman

gehouden te Vrouwenpolder

20-06-1934

146:3
84:3 en 6
134:2 en 3
2:7

Tekstlezing:

Spreuken 18:10

10De Naam van de HEERE is een sterke toren, een rechtvaardige snelt daarheen en wordt in een veilige vesting gezet.
(Herziene Statenvertaling, 2010)

Huwelijk P.Mesu en P.Geerse

Gemeente van onzen Heere Jezus Christus,

Er zijn dagen in het mensenleven, die vol zijn van verwachtingen, dagen, waarop het hart gespannen wordt door de vraag wat de toekomst brengen zal. Ook de huwelijksdag is zo'n dag van verwachten. Er is vandaag een vraag in uw hart: wat zal de toekomst brengen? Wat mogen we verwachten van het nieuw stuk leven, dat vandaag begint?

U hoopt op het goede en u weet, dat het kwade kán komen. Daarom zoekt u vandaag zekerheid en dringt nog meer dan de vraag wat de toekomst brengen zal die andere vraag: waarop zullen we onze toekomstverwachting bouwen, opdat het vandaag een dag van blij verwachten kan zijn?

En nu bent u in het Huis des Heeren gekomen om daar al uw verwachten neer te leggen voor de troon van God en versterkt te worden in het geloof, dat u al de verwachting van het leven en de hoop voor de toekomst bouwen mag op het fundament van de onwankelbare beloften van God.

Ik bedien u het Woord van God uit Spreuken 18:10:
De Naam van de HEERE is een sterke toren, een rechtvaardige snelt daarheen en wordt in een veilige vesting gezet.

Het beeld van die toren, dat in onze tekst gebruikt wordt, is niet zo moeilijk te doorzien. We moeten ons in onze gedachten even verplaatsen naar een tijd, toen men die veiligheid niet kende, die onze tegenwoordige samenleving biedt. In vroeger eeuwen kende men alleen in de steden achter de dikke muren en de stevige poorten de veiligheid. Woonde men buiten de stadspoort dan verkeerde men in voortdurend gevaar. Want elke dag konden vijandelijke legers een inval doen en dan moordden ze dikwijls zoveel ze konden en dan verbrandden ze de huizen tot er geen steen van overbleef.

Als dan het gerucht van je vijand kwam, dan pakte men haastig wat bij elkaar en dan vluchtte men zo snel men maar kon naar de steden, naar de veilige muren. Maar wee de ongelukkigen voor wie de afstand naar de stadsmuren te groot was.

Daarom namen verstandige koningen wel eens maatregelen om de plattelandsbevolking, die te ver van de steden woonde te beschermen. Ze bouwden torens midden in het land. Daarheen kon dan de bevolking de wijk nemen als er gevaren dreigden. Die torens waren dan te vergeljken met de vluchtheuvels. Zoals de vluchtheuvels in tijden van watersnoden boven het water uitsteken, zo staken de torens in veilige vastheid uit boven de vloedgolf der vijanden. Wat een verademing was het dikwijls als men na een wilde vlucht de torenpoort mocht binnenlopen en de dikke vergrendelde deuren achter zich hoorde dicht vallen. Zo was de toren een toevlucht voor de vluchtelingen.

We weten niet wat het is een vluchteling te zijn. We hebben misschien niet eenmaal van ons leven zelfs een vluchteling gezien. Wat een vluchteling is kunnen we tegenwoordig horen uit de verhalen, die gedaan worden door mensen, die uit Rusland of Siberië zijn gevlucht. Dat zijn echte vluchtelingen. Strompelende en verhongerde mensen met holle angstogen en de dreigende kogel achter zich.

1 Als u hieraan denkt zult u wel verstaan wat de Spreukendichter bedoelt als hij zegt: de Naam van de Heere is een sterke toren. Een rechtvaardige snelt daarheen en wordt in een veilige vesting gezet. De rechtvaardige is een vluchteling naar de Heere midden in de dreigende stormvloed.

U gevoelt toch wel iets van de diepe smaad, die daarin voor het mensenleven ligt opgesloten? De mens is als een Koning hier op aarde door de Schepper neergezet, als een held, die nooit aan vluchten behoefde te denken, als een gepanserde strijder tegen het rijk der duisternis.

En als er hier op aarde gevaar dreigde, dan zouden de schepselen, die God onder de hand van de mens gesteld had, tot die mens de toevlucht moeten nemen om bij die mens de vastheid te vinden. En nu is de mens niet meer een toevlucht voor de schepselen van God, maar zelf een vluchteling. De vastheid en de veiligheid is uit het aardse leven weg. Van alle zijden dreigen de gevaren. Als bij een watervloed, die alles dreigt te verzwelgen. Wat een gevaar, wat een dreiging, wat een nood er in het leven.

En de mensen zonder God merken daar ook wel iets van. Ze spreken van een noodlot, waartegen toch niets te doen valt. Of ze noemen het toeval, dat niemand kan berekenen. Wat een angst woelt er toch eigenlijk in het mensenleven.

Ja, er zijn nog wel mensen zonder God die deze tijd nog durven hopen. Ze missen de vastheid en de veiligheid, die wij in het Verbond van de heren hebben en daarom zoeken ze de vastheid bij zichzelf. Ze nemen hun toevlucht tot een vluchteling. Dat is het zelfvertrouwen, dat zelfs onze ontzaglijke tijd de mensen nog niet heeft afgeleerd. Maar dan komen de stormen en ze beuken aan tegen dat huisje van vleselijk zelfvertrouwen en ze slaan al de verwachtingen van het leven stuk. Dat is het eind van alle menselijk zelfvertrouwen. Zo zien we de mensen van onze tijd in het donker rondtasten.

En er is misschien geen dag in het leven, die minder verwachting schijnt te bieden dan de huwelijksdag. Wat kan in onze dagen de vraag van de bestaansmogelijkheid reeds op de trouwdag dringen. Hoevelen moeten zich tegenwoordig niet reeds op die dag van blijdschap afvragen: wat zullen we eten en wat zullen we drinken? En, ja, nu zijn er velen, die nog blijven vasthouden aan het zelfvertrouwen. Alles mag wankelen en geschokt worden, alles mag onzeker zijn en donker, maar een ding houden velen nog vast: de liefde zal ze wel door de stormen van het leven heen brengen.

Och, wat worden er ook in onze tijd nog argeloze zangen van idealisme gezongen in de lentetijd van het leven. Wat een verwachting wordt er nog bij velen gewekt als de liefde van de harten de levens samenbindt. Dat is voor velen nog de enige toren, waarheen ze lopen: de liefde, die sterk maakt.

En wij willen ook die liefde hooghouden, want die liefde tussen mens en mens is een kunstwerk van de Schepper. Daar moeten we God in erkennen. Daar mogen we de schouders niet voor ophalen. Maar hoe hoog we die liefde in het mensenleven ook wensen te houden, toch weten we van de andere woorden van de Spreukendichter: die op zijn hart vertrouwt is een dwaas.

Nee, ook de liefde zal niet de toren zijn, waarheen we zullen lopen om te ontkomen aan de dreigingen van het leven. Want het vertrouwen op de liefde en op het hart en op de idealen, die door dat hart worden gekoesterd is naar het Woord van God een vertrouwen op het vlees.

Zo staat u vandaag aan de ingang van een nieuw stuk leven. U zult voortaan samen door het leven gaan en nergens is een toren te ontdekken, waarheen u lopen kunt om te ontkomen. Ook niet de liefde die u samenbindt.

En nu gaat u het leven in en dat in deze tijd. En nu zou het er vandaag eigenlijk heel donker voor u uitzien en er zou geen reden zijn tot vreugd en vrolijkheid als daar niet stond, onwankelbaar en onverwrikbaar ook in de springvloed van deze tijd: de Naam van de Heeren als een sterke toren.

De Naam van de Heere, dat is maar niet een klank. De Naam van de Heere, dat is Zijn openbaring in Jezus Christus, dat is Zijn Verbond, dat Hij ons heeft bekend gemaakt, het Verbond der genade, dat Hij heeft opgericht, niet slechts over ons sterfbed, opdat we straks het eeuwige leven zullen verkrijgen, niet slechts over onze godsdienstige stemmingen en de vrome behoeften van ons hart, opdat we van die komende vreugde een voorsmaak zullen hebben.

Maar die Naam van de Heere is het verbond der genade, dat Hij heeft opgericht over ons ganse leven, over onze arbeid, ons gezin, over ons huwelijksleven, over onze moeiten en onze zorgen, opdat we vandaag en morgen het eeuwige leven zullen kennen, opdat we altijd en ook in dezen tijd zullen weten, dat we kinderen van God zijn. De Naam van de Heere is een sterke toren. De rechtvaardige zal daarheen snellen en in een veilige vesting gesteld worden.

Nee, de rechtvaardige dat wil niet zeggen: de man of de vrouw, die in alles onberispelijk is, de heilige op wie niets valt aan te merken. Als hier het Woord van God spreekt van de rechtvaardige dan wordt daarmee bedoeld de mens, die het verbond Gods erkent en aanbidt. Die rechtvaardige, dat is de mens, die onder vallen en opstaan vasthoudt aan het Woord, en de belofte van de Heere, die wel dikwijls struikelt in zonde en de Heilige Geest bedroeft, maar daarin toch weer telkens opnieuw verberging zoekt in het reinigende bloed der verzoening.

Die rechtvaardige, die liefhebber van de Here Jezus, die zondaar, die zich op de borst slaat door de genade van Gods Geest, die zal in benauwdheden tot de Naam van de Heere snellen. En die zal in die Naam van God, in dat Woord van God, in die belofte, in die aanneming tot kinderen, een sterke toren vinden. Een sterke toren, in vastheid verheven boven de beroeringen van de wereld.

De vluchtelingen uit Rusland weten niet of ze wel ooit het veilige buitenland zullen bereiken. Want de honger en de ontbering knelt en de kogel dreigt. Maar de rechtvaardige weet, dat hij zal ontkomen want hij zal in een sterke toren worden gesteld.

De mensen, die vandaag bij het noodlot leven of bij het toeval of bij de liefde, die hen door de nood moet heendragen, die zullen omkomen, want ze verachten het Woord van de Heere en die op zijn hart vertrouwt is een dwaas. Maar die op de Here vertrouwt zal nooit beschaamd uitkomen, ook niet in de nood en de storm van het leven.

Want die zal God vinden als een sterke toren, als een veilige vesting, als een roststeen, die niet wankelt. Dat zal Hij nu ook zijn voor u. Als u de Here dient dan mag u uzelf rekenen tot het rechtvaardige volk van God, niet omdat uw eigen hart getuigt, dat u zonder zonden zou zijn, maar omdat God in Zijn Woord het van u zegt. En nu mag u met al het rechtvaardige volk van God uw toevlucht nemen tot de Naam van de Heere, die sterke toren. Daar zult u een veilig vertrek vinden.

Neen, dat betekent niet, dat er geen tegenspoeden of teleurstellingen zullen komen, geen ongeluk of bitterheid. Maar dit betekent, dat u, wat u nu ook verder overkomen mag, toch niet zult bezwijken op uw levensweg. Want voor die rechtvaardige is het: bezwijkt dan mijn vlees en mijn hart, zo blijft God nochtans de Rotssteen van mijn hart en mijn Deel in eeuwigheid.

Die God doet ons psalmen zingen in dagen van blijdschap als ons hart vol is van levensweelde. Die God vervult vandaag uw hart met vrolijkheid. Maar diezelfde God zal u ook ondersteunen in de kwade dagen, in de dagen van nood en beproeving. Als u het maar bij Hem zoekt en bij Hem alleen.

Want wat over ons leven beslist, dat is niet wat er in deze wereld gebeurt en niet wat er in uw eigen leven gebeurt, maar dit is het beslissende: de Naam van de Heere, die ons als Zijn kinderen door dit leven voert om ons te leiden tot Zijn koninkrijk.

Wat ons leven bepaalt, dat is niet wat ons overkomt, maar ons leven is bepaald door wat Christus is overkomen in Zijn lijden in het offer der verzoening. Want in die bloedstorting is ons het Vaderhart van God geopend, die ons Zijn Zoon, Zijn enige niet heeft onthouden, maar Hem voor ons allen heeft overgegeven in de dood.

Nee, die Naam van de Heere is niet iets, dat ons straks in het sterven licht moet geven. Die Naam van de Heere is vandaag een sterke toren, en morgen en al de jaren van uw leven. Daarom kunt ge u vandaag verheugen, want wat u ook in uw verdere leven zou mogen overkomen, dit staat onwankelbaar: De naam van de Heere is een sterke toren.

Daarom kunt u vandaag verwachten en hopen, want hoe het ook moge gaan met de wereld en met uw leven: de toekomst is licht, is altijd licht, want het gaat naar de volle openbaring van de heerlijkheid, die er in de Naam van de Heere gelegen is en God zal u in alles wat Hij over u brengt u voorbereiden voor de bruiloft van het Lam.

U mag vandaag vol blijdschap zijn, u mag u verheugen voor het aangezicht van de Heere, want uw verwachting staat op het fundament, uw huis is op de steenrots gebouwd.

En nu zullen Zijn ogen dag en nacht open zijn over dat huis. En u zult toevlucht nemen in al die duizend grote en kleine dingen tot de Naam van de Heere, de sterke toren, die nooit wankelt, de onwankelbare rotsgrond van uw hopen en verwachten.

Amen