Preek van ds. J.W.Tunderman

gehouden te Vrouwenpolder en Gapinge

op 3 December 1933

Avondmaal

76:1
25:3
116:2 en 3
85:1 en 2
116:5
116:7
116:8
116:9
116:10
116:11

Rom.8:33-39
Jes 12
Jes 43:1-8
Jes 52:1-8
Jes 61:1-6

Tekstlezing:

Psalm 85:2-5

2 U bent Uw land goedgezind geweest, HEERE,
U bracht een omkeer in de gevangenschap van Jakob.
3 De ongerechtigheid van Uw volk hebt U weggenomen,
U hebt al hun zonden bedekt. Sela
4 U hebt al Uw verbolgenheid weggenomen,
U hebt Zich van Uw brandende toorn afgewend.
5 Breng ons terug, o God van ons heil,
doe Uw toorn over ons teniet.
(Herziene Statenvertaling, 2010)

Gemeente van onze Heere Jezus Christus,

Wij zoeken vandaag weer de dood van de Heere te verkondigen in de gemeenschap van de Tafel van het Verbond. En aan die tafel roemen wij in de genade en in de genade alleen. En dan gaat onze roem van vandaag in tegen de wereld, tegen het vlees, tegen de afkeer van God, waarin het mensenleven verstrikt is door de zonde.

Tegen de wereld in, die het niet verwacht van de gemeenschap met het lijden van Christus, maar die het juist verwacht van de verwerping en de uitstoting van die Christus uit de wereld en uit het leven der mensen. Tegen de wereld, die niet roemt in het kruis van Christus, maar die roemt in het hakenkruis, in eigen kunnen, in ras en bloed, in de natie en in eigen ijzeren wilskracht.

Maar dan roemen wij niet slechts tegen de geest van de wereld en de geest van de tijd in, maar ook tegen velen van onze eigen broeders en zusters, voor wie de belofte van de genade van de Heere niet genoeg is, die eerst de zekerheid van die beloften willen ervaren in hun hart, die daarom hun plaats aan de tafel van de Heere leeg laten tegen de roepstem van de Heere Jezus Christus in.

En, ja, dan roemen wij niet alleen tegen de anderen in, maar dan gaat onze roem ook tegen onze eigen levensopenbaring in, tegen onze zonde, onze verslapping, onze ontrouw, ons betrouwen op het vlees, onze goddeloosheden, onze afkeer van de Heere, ons onttrekken aan Hem. Tegen dat alles roemen wij in de genade, die ons ook deze morgen weer wordt aangeboden om niet, zonder geld en zonder prijs. En tegen dat alles in klemmen wij ons vast aan het Woord der verzoening, dat Christus heeft uitgeroepen aan het kruis.

We willen voor wij de Heere in de gemeenschap van Zijn tafel ontmoeten luisteren naar wat het Woord van God ons in Psalm 85 van die verzoening zegt.

Psalm 85 dateert uit de tijd na de ballingschap. God had Zijn volk niet laten zuchten in het vreemde land, maar Hij had Zijn hand uitgestoken en Hij had ze opgehaald uit Babel en ze weer geleid naar hun eigen land. Maar, ach, wat hadden ze daar gevonden. Jeruzalem was verwoest en het land een woestijn. Wat was dat voor het handjevol Joden, dat uit de ballingschap terugkeerde een moeilijke tijd.

Want de meeste Joden waren in Babel achtergebleven en zo woonde daar een klein groepje teruggekeerden in het land der vaderen. En het ging ze daar niet voor de wind. Want, ja, ze hadden de eerste tijd geleefd onder de machtige bescherming van de Perzische wereldheerser. En dat scheen wel heel mooi: de wereld beschermde de kerk, het wereldrijk waakte over het Godsrijk. Maar dat had ook zijn schaduwzijden. De kerk leefde bij de gratie van de wereldmacht. En al spoedig bleek dat de steun van de koning van Perzië niet meer was dan een staf, die de hand doorboorde. Want dat Perzische wereldrijk scheen wel sterk en betrouwbaar. Geweldig wat een schittering van menselijke macht, wat een legers en wat een ambtenaren.

Maar dat geweldige rijk was innerlijk voos. En toen de volken hun stormloop tegen die Perzische reus begonnen, toen waggelde hij en stortte tegen de grond. Dat was voor Israël een bange tijd. Want het was de steun van het wereldrijk kwijt. Het stond alleen tussen de volken, die zich hadden bevrijd van de onderdrukker en nu begonnen elkaar te bestrijden en verdringen. De orde was verstoord en wie gaf zekerheid, dat heel die volkenwereld niet in een chaos moest ondergaan? Wie kon Israël garantie geven, dat het kon stand houden in de kokende branding van die ontruste volkerenzee?

Dat gaf een crisis in het leven van Israël, bovenal een geestelijke crisis, zoals iedere crisis in de eerste plaats een geestelijke crisis is, een verzoeking van Satan en een beproeving van het geloof. Menige Jood liet zijn geloof los. Nee, dat was niet vol te houden, dat kon geen mens verdragen, daar zou het hart onder barsten. Wie kan de belofte vasthouden als het voor de ogen te zien is, dat er geen redden meer aan was. Ze moesten hun geloof maar laten varen en proberen zich zo goed en zo kwaad het ging door de moeilijkheden heen te slaan. Dat deden de andere volken ook.

Daar hebt u nu de mens, die vreest als de grondvesten van de aarde schudden, als de bergen verzet worden in het hart van de zee. Wat voelt men zich veilig als men ziet op de machten van de wereld, op de schittering van het vlees, op het kunnen en vermogen van de mensen. Maar wat wordt het dan uiterst kritiek als die mensengrootheden in elkaar storten, als het in de wereld gaat scheuren en barsten. Och, dan helpt de beschaving niet meer en de cultuur en de steun van de grote mogendheden, dan baat geen geld en geen macht en geen kennis.

En dan schijnt het geloof ook niet veel meer te helpen. Dan schijnt het soms of heel het geloof in Gods beloften een grote vergissing is, een waan, een illusie. Zo spraken ook velen van de Joden in de dagen van de verwarring bij de ondergang van Perzië. En wat een teleurstelling bij de gelovigen. Och, het scheen, dat de gramschap van God bleef roken. Het scheen, dat de toorn van de Heere eeuwig ontstoken was tegen Zijn volk. Ja, even had het er de schijn van genade, alsof de Heere Zijn slaande hand zou afwenden. Wat waren ze in blijdschap weergekeerd uit Babel en wat hadden ze gezongen:
Toen de Heere de gevangenen Sions wederbracht, waren wij als dromenden.

Ja, dat scheen wel een droom, mooi en imponerend, maar niet echt en niet waar. 't Was even wonderlijk als een droom, maar 't was ook niet meer dan een droom: en nu was er op die droom gevolgd een onbarmhartig ontwaken in de rauwe werkelijkheid: Perzië de machtige beschermer was bezweken en nu was 't met Israël gedaan.

In deze omstandigheden dicht een van de zonen van Korach de 85ste psalm. Nee, het mocht schijnen, dat God Zijn volk verlaten had, het mocht schijnen, dat die terugkeer uit Babel slechts een droom was en niet meer, toch staat het onverwrikbaar vast: Gij zijt Uw land gunstig geweest, HEERE, Gij hebt de gevangenis van Jacob gewend.

Ja, Jesaja had het reeds meer dan honderd jaar geleden geprofeteerd, dat Israël zou worden weggevoerd in ballingschap om zijn zonde. Maar hij had aan die voorzegging toegevoegd, dat de Heere Zijn volk zou terugvoeren en de gevangenis van Israël zou wenden.

Dan zou de Heere de ongerechtigheid van Zijn volk wegnemen, en al hun zonden, dan zou Hij wegnemen al Zijn verbolgenheid en Zijn brandende toorn afwenden. Daaraan klemt de psalmdichter zich vast: Jesaja had het in Gods Naam gesproken en de Heere had getoond, dat Hij Zijn Woord hield.

En nu mocht men zeggen dat de verlossing maar schijn was, een droom, te mooi om te geloven. Nee, het was geen schijn, het was echt, want het was naar het Woord van God: de Heere zou Zich wenden en Zijn toorn doen ophouden. Nee, Israëls lot hing niet af van de wisselende kansen van een oorlogende volkenwereld. Israëls lot hing hier vanaf: de ongerechtigheid van uw volk hebt U weggenomen, U hebt al hun zonden bedekt. En zoals die Psalmdichter zich vast klemde aan de verlossing, die de Heere naar Zijn Woord bereid had, zo zullen ook wij vandaag in het bijzonder de verlossing van de Heere gedenken, die Hij gebracht heeft in de dood van Zijn Zoon aan het kruis.

Ons leven hangt niet af van wat er in de wereld gebeurt, maar ons leven hangt hier vanaf: U hebt de schuld van uw volk weggenomen, U hebt al hun zonden bedekt, toen U al onze ongerechtigheden op de Here Christus deed aanlopen, toen U Hem onze krankheden en onze smarten deed dragen, toen Hij gestriemd werd met onze striemen, geslagen met onze slagen, verlaten in onze verlatenheid. Toen hebt U de schuld van Uw volk verzoend, omdat Hij onze schuld heeft uitgeboet in Zijn lijden. Zo roemen wij in de vergeving van de zonden, in het bloed van de Zoon van God, in de ontfermingen van God door Jezus Christus. Zo roemen wij in dat lijden en in die dood, in die wonden en in die verlatenheid. In het kruis zal 'k eeuwig roemen.

Daarom zoeken wij de gemeenschap met Zijn lijden. Dat willen wij in het bijzonder vandaag, nu wij de dood van de Heere Jezus verkondigen. In die tafel staan wij met Zijn dood in gemeenschap. Want God wil in het breken van het brood en het vergieten van de wijn het sterven van Zijn Zoon voor onze ogen stellen. Zo zeker als dit brood gebroken en deze wijn vergoten wordt, zo zeker is het lichaam van de Heere Jezus verbroken tot een volkomen verzoening van al onze zonden.

En als we dan straks de hand zullen uitsteken om het brood te nemen en de beker van de verlossing zullen opheffen, dan zal dat zijn de gemeenschap met het lijden van onze Heere Jezus. Dat is de bondsmaaltijd van Zijn volk. Daarin ligt onze eenheid met Hem. Toen de Heere Jezus aan het kruis hing, toen was Hijzelf voor slechts weinige uren van die tafel opgestaan. Onze Heere had de smaak van het brood en de wijn nog in de mond toen dat ontzettende lijden over Hem kwam.

En daarom zullen wij vandaag de gemeenschap met Zijn lijden zoeken, niet om daarmee te betuigen dat wij van onszelf nu wel mogen geloven, dat we het waardig zijn, maar omdat we het aanbod van Gods genade niet willen afslaan, omdat we het hoofd wensen te buigen opdat Gods genade over ons komt, omdat we de Heere willen zoeken in de weg, die Hij ons in Christus ons geopend heeft.

En daarom als u oprecht voor God bent, als u het voor Hem wenst uit te spreken: ondanks al mijn zonde en mijn struikeling zoek ik toch de Heere, kom dan en blijf niet achter maar belijdt de gemeenschap met Zijn lijden als het enig plechtanker van Uw hoop.

De ongerechtigheid van Uw volk hebt U weggenomen, U hebt al hun zonden bedekt. U hebt al Uw verbolgenheid weggenomen, U hebt Zich van Uw brandende toorn afgewend. In Christus, in Zijn wonden en in Zijn dood, die wij ook nu weer wensen te verkondigen tot Zijn gedachtenis.

Amen.



Preek van ds J.W.Tunderman

gehouden op 3 December 1933

te Vrouwenpolder en Gapinge

Dankzegging na het Avondmaal

Schriftlezing:

Leviticus 16:11-19

11 Dan moet Aäron de jonge stier als het zondoffer dat voor hemzelf bestemd is, aanbieden, en voor zichzelf en zijn gezin verzoening doen, en de jonge stier als het zondoffer dat voor hemzelf bestemd is, slachten.
12 Verder moet hij van het altaar voor het aangezicht van de HEERE een vuurschaal vol vurige kolen nemen, met beide handen vol fijngestoten geurig reukwerk, en dit binnen het voorhangsel brengen.
13 Hij moet dan het reukwerk op het vuur leggen voor het aangezicht van de HEERE, zodat de wolk van het reukwerk het verzoendeksel, dat boven de getuigenis is, bedekt en hij niet zal sterven.
14 Hij moet dan een deel van het bloed van de jonge stier nemen, en met zijn vinger op het verzoendeksel sprenkelen, aan de kant naar het oosten toe. En vóór het verzoendeksel moet hij zeven keer met zijn vinger van dat bloed sprenkelen.
15 Daarna moet hij de bok slachten die als zondoffer voor het volk bestemd is, en zijn bloed binnen het voorhangsel brengen. Hij moet met zijn bloed doen zoals hij met het bloed van de jonge stier gedaan heeft, en dat op het verzoendeksel en vóór het verzoendeksel sprenkelen.
16 Zo moet hij over het heiligdom verzoening doen vanwege de onreinheden van de Israëlieten en vanwege hun overtredingen, overeenkomstig al hun zonden. Zo moet hij ook doen met de tent van ontmoeting, die bij hen staat, te midden van hun onreinheden.
17 Geen enkel mens mag in de tent van ontmoeting zijn, als hij er binnengaat om in het heiligdom verzoening te doen, totdat hij naar buiten komt. Zo moet hij verzoening doen voor zichzelf, voor zijn gezin en voor heel de gemeente van Israël.
18 Daarna moet hij naar buiten gaan, naar het altaar, dat voor het aangezicht van de HEERE is, en er verzoening over doen. Hij moet dan een deel van het bloed van de jonge stier en een deel van het bloed van de bok nemen en het rondom op de horens van het altaar strijken.
19 Dan moet hij met zijn vinger zeven keer een deel van het bloed daarop sprenkelen. Zo reinigt en heiligt hij het van de onreinheden van de Israëlieten. (Herziene Statenvertaling, 2010)

113:4
25:10
118:7
118:8
118:10
130:2
65:2

Tekstlezing:

Leviticus 23:29

29 Voorzeker, iedere persoon die zich op diezelfde dag niet verootmoedigt, moet van zijn volksgenoten worden afgesneden. (Herziene Statenvertaling, 2010)

Gemeente van onze Heere Jezus Christus,

God doet een werk in de wereld. Dat werk van God is Zijn openbaring in Jezus Christus. Daarin zoekt God de wereld op om haar te grijpen en te redden. Daarom brengt de Heere door Zijn openbaring die mensenwereld in beweging, zodat ze hun positie moeten bepalen tegenover dat werk van God in Christus. Het is niet in een hoek geschied. Het kruis staat daar in het raakpunt van de tijden en van de volken als een opgericht teken. Maar nu heeft de Heere bij Zijn werk op aarde een tegenstander: de Satan.

Die Satan heeft ook zijn werk in de wereld, tegen het werk van God in. Daarom brengt hij ook de mensenwereld in beweging om ze aan zijn werk te onderwerpen. Daarom raakt hij alle eeuwen aan en alle tijden, alle volken en alle mensenharten. Daarom werkt hij overal waar mensenkrachten werken, waar mensen iets bereiken en mensen iets tot stand brengen, overal waar mensen streven en strijden om zich een wereld en een beschaving te bouwen. Totdat hij straks alle mensenmacht en mensenschittering zal doen samentrekken in die éne, die Satansmens, die mens van de zonde, die anti-christ.

Ja, als de mensen werken en streven, als ze bouwen en bewaren, dan zit daar het werk van Jezus Christus in, het werk van God van de verlossing. Maar tegelijk werkt de Satan daarin Zijn werk om die mensenwereld en dat mensenwerk om te buigen en te wringen tegen het werk van God in.

Zo worstelen er twee in deze wereld: Christus en de Satan. En zo werken en worstelen er twee in uw leven, dat misschien voor de schijn zo rustig is: de Geest van God en de geest van de afgrond. Want in die Satansworsteling tegen het werk van God in, grijpt de geest uit de afgrond niet slechts naar het leven van de goddelozen, die zich aan de goddeloosheid verkocht hebben, maar ook naar de gelovigen, die geleerd hebben voor het werk van God het hoofd te buigen en dat te aanbidden.

Zo werkt Satan in de wereld en in de kerk. Zo werkt hij in uw kerkgang, in uw luisteren naar het Woord, in uw verkeer in Gods huis. En zo worstelt hij vandaag om in uw avondmaalsviering te werken en te woelen. Om daarin het werk van de Geest van God te storen, om daarin het werk van Christus af te breken. In die Avondmaalsviering heeft de Heere ons de verzoening door het bloed van Christus verzegeld. En nu werkt de macht van de duisternis daar tegenin om de banden met Christus te verscheuren en de zegels te verbreken en u weg te roven uit de gemeenschap met het lijden en de dood van Christus.

We willen, nu we in dit uur de Heere danken voor wat Hij ons in dit Avondmaal schonk, op dat werk van God letten. Daarom luisteren we naar het Woord van God, dat ons spreekt van het werk van God in de bediening van de verzoening.

We letten daarbij op drie punten:

Wat God werkt
Wat de Satan werkt
Wat God daarin tot Zijn volk te zeggen heeft.

We horen dus in de eerste plaats wat God werkt in de bediening van de verzoening. Onze tekstwoorden zijn genomen uit de instelling van de grote Verzoendag. Elke dag werd in de vroege morgen door de priesters een zondoffer geslacht. Dat offer moest gebracht worden om de zonden van het volk te verzoenen. En niet slechts werd er een dagelijks offer gebracht, maar bij allerlei gelegenheden moest er een afzonderlijk schuldoffer aan de Heere worden gebracht: bij de priesterwijding, bij de reiniging van de melaatsen, bij bijzondere zonden van het volk of de koning en bij het afleggen van de Nazireeërgelofte.

Daarin werden de zonden verzoend. En dan mocht Israël geloven met volle verzekerdheid van het geloof: de misdaad van uw volk hebt U weggenomen, U hebt al hun zonden bedekt. En daarin mocht Israël roemen als het in de voorhof stond. Ze konden het voor hun ogen zien hoe de priester in de voorhof het offerdier nam en het slachtte. En als ze dan zagen hoe de priester de treden van het altaar beklom om het offer aan te steken, dan wist het: dit is de bediening van de verzoening. Maar al mocht Israël zich zo verblijden in die dagelijkse bediening van de verzoening, toch heeft de Heere Mozes geboden, dat hij bij Israël een dag in het jaar zou afzonderen voor die bediening van de verzoening. Dat was de grote verzoendag.

U moet de betekenis van die grote verzoendag goed verstaan. In de dagelijkse verzoening van het zondoffer werd de schuld van het volk te niet gedaan. Maar nu moest Israël begrijpen, dat er ter verzoening van de zonden meer nodig was dan een priester en een altaar en een dier, dat geslacht werd. En het moest inzien dat het bloed van de verzoening verder en dichter bij God gebracht moest worden dan tot in de voorhof.

Ja, God bond Israël aan dat dagelijkse zondoffer. Israël mocht dat niet verachten. God verzegelde daarin de verzoening van de zonden. Maar al mocht Israël het niet verachten, het moest toch zien, dat die dagelijkse plechtigheid in de voorhof boven zichzelf uitwees naar een ander en beter offer, niet een offer van het bloed van stieren en bokken, maar van het bloed van de eniggeboren Zoon van God.

Opdat Israël daarom niet hangen bleef aan het dagelijkse offer in de voorhof, maar zou uitzien naar het offer van het Lam van God, daarom had God die grote verzoendag ingesteld. Op die grote verzoendag werd een ander offer gebracht dan het dagelijkse en het werd op een andere plaats voor het aangezicht van de Heere gebracht: niet in de voorhof, maar achter het voorhangsel, voor de lichtschijn van de tegenwoordigheid van God, op het verzoendeksel van de ark van het verbond, in het Heilige der Heiligen.

Als dan de Hogepriester in dat Heilige der Heiligen kwam, dan moest hij eerst reukwerk ontsteken. Want hij mocht die lichtglans van de tegenwoordigheid van de Heere niet zien, anders zou hij sterven. En als hij dan dat rookgordijn van reukwerk bereid had, dan nam hij het bloed en hij sprenkelde het op het verzoendeksel tot een verzoening van de zonden van het volk. Daar werd de zonde verzoend in het Heilige der Heiligen, vlak voor de Heere en Zijn majesteit, die tussen de cherubs woonde. Daar in het binnenste heiligdom en niet in de voorhof. Daar achter de gordijnen in de tegenwoordigheid van de Heere en niet in de tegenwoordigheid van het volk.

Dat was de grote verzoendag. De dag, waarop de Heere en het volk elkaar ontmoetten, de dag waarop Israël in de tempel moest verschijnen als een schuldig en onrein volk om daar door het verzoenoffer in het Heiligdom, door het bloed op het verzoendeksel weer gereinigd te worden van zijn ongerechtigheden. Daarom werd er op die dag geen arbeid verricht en geen recht gesproken. Heel het leven moest stilstaan. Al dat bewegen van de mensen moest zwijgen. En daarom moesten die dag ook de maaltijden ophouden. Op de avond van de negende dag van de zevende maand moest men zich voor de Heere verootmoedigen. En als teken van die verootmoediging mocht men niet eten en zo bracht men de grote verzoendag in vasten door.

Ja, er is veel gevast in de wereld. We vinden het vasten niet slechts in de Roomse kerk, maar dat is over heel de wereld aan te treffen bij alle volken en godsdiensten. Dat vasten lijkt dikwijls wel heel vroom en ootmoedig. Maar zoals er in alle mensenhandelingen is een strijd tussen de Geest en het vlees; zo is het ook met het vasten. Er is een vasten, dat geleerd moet worden van de Geest van de Heere en er is een vasten van het vlees, van de onherboren, van God afgekeerde mens, een vasten naar de wereld. Vasten is zich van spijs onthouden en nu komt het er maar op aan waarom men vast. En dan staan er twee wegen open: de weg van de geest en de weg van het vlees.

De mens, die in de weg van de Geest van God vast, erkent zijn diepe schuld voor God. Hij buigt zich voor God in het stof en daar in die diepte van schulderkentenis, daar acht hij zichzelf Gods gaven niet waardig. Dat eten en dat drinken is een genadegeschenk van God. Daarvoor mogen we danken. God heeft het doen groeien en God heeft het doen rijp worden. Maar als de gelovige zich in zijn schuld voor God ziet, dan kan het zijn, dat hij zich zo diep voor God wil neerbuigen, dat hij de goede gaven van Gods hand niet durft aanraken. David wist wat vasten was, toen hij om zijn zonde geen stuk brood door de keel kon krijgen.

Maar nu is er ook een vasten naar het vlees. Dat vleselijk vasten is er als men niet vast omdat men zich Gods gaven niet waard acht, maar als men vast, omdat men zich boven de spijzen verheven waant. Men meent dan, dat men te vroom, te godsdienstig, te geestelijk is om te eten en te drinken. Dat is het vasten van de menselijke hoogmoed. We kunnen in onze tijd in de kranten weer lezen van dat vleselijke vasten. Gandhi, de Indiër, die ook het hart van vele christenen bekoort, is ook soms in eigen oog te hoog om te eten. En dan wordt het aan de wereldpers bekendgemaakt en alle kranten moeten het melden: de Mahatma neemt geen voedsel tot zich. Dat is een vasten tegen het werk van God in, dat is een vasten uit vleselijke zelfoverschatting.

Zo moesten de Israëlieten op de grote verzoendag niet vasten. Nee, als de Israëlieten vastten dan moest dat zijn om zich voor God te verootmoedigen, om zich voor Hem te buigen en te erkennen: Ik heb gezondigd, ik ben niet waard om van Uw brood, o God te eten en van Uw water te drinken. Uw gaven zijn te goed voor mij. Zo moest Israël vasten op de grote verzoendag van de avond van de negende tot de avond van de tiende van de zevende maand. Zo moest Israël naar het bevel van God zich een ganse dag de gaven Gods niet waard keuren.

En zo moest het de grote verzoendag vieren. De arbeid stond stil en het mensenleven stond stil, ja, zelfs de maaltijden stonden stil. Och, dat is geen zonde: arbeid en verkeer onder de mensen en gezin en eten en drinken. Nee, daarin sprak de barmhartigheid van God. Maar op die grote verzoendag werd dit alles stilgezet, opdat die twee elkaar konden ontmoeten: Israël in zijn schuld en de Heere in Zijn vergevende liefde. Zo ging men op naar de tabernakel, naar de tent der samenkomst om daar zich voor God te verootmoedigen, om daar zich voor Hem neer te buigen, om daar belijdenis te doen van schuld. En dan werd het grote verzoendag voor die gemeente in de voorhof. Daar stonden ze vergaderd de mannen en de vrouwen, de grijsaards en de kinderen, ja, zelfs in tijden van grote zonden, de zuigelingen. En dan ging de Hogepriester het bloed sprengen achter het gordijn.

En als hij dan terugkwam dan was er weer de grote verzoening, dan had de Heere de schuld van Zijn volk weer weggedaan, dan hadden ze elkaar weer gevonden: de hoge God Die tussen de cherubs woonde, en dat vernederde en verootmoedigde volk. En dan gingen ze naar huis - gerechtvaardigd. Nee, het was niet dat vasten en die verootmoediging, die de verzoening bracht. Die werd gewerkt van de Heere in het Heilige der Heiligen. Maar de Heere wilde dat het volk zich zou verootmoedigen op de dag, dat de Hogepriester met bloed doorging tot achter het voorhangsel. Dan stonden ze zuiver tegenover elkaar: een volk in de schuld tegenover de Heere in Zijn verzoenende liefde. Dat was de verzoendag van het oude verbond.

En zo is het ook nog op de grote verzoendag van het nieuwe verbond. Niet een aards hogepriester is met het bloed van een dier voor Gods aangezicht getreden, maar de Heere Jezus Christus kwam met Zijn eigen bloed achter het voorhangsel in het binnenste heiligdom in de hemel voor de troon van God om daar de schuld te verzoenen. En zoals de Hogepriester in de voorhof achter zich een verootmoedigd volk had, zo is het ook met de Heere Jezus Christus. Hij heeft een schuldig volk achter Zich een volk, dat Zich in ootmoed buigen moet als het Hem ziet ingaan in het Heiligdom.

Nee, dat is niets voor zelf-kunnende, zelfbewuste en zelf-zich-voelende mensen, dat is niets voor de bouwers en de strevers in eigen kracht en kunnen, zoals ook onze tijd ze kent: de groten, die de miljoenen achter zich hebben. Dat is alleen voor het vernederde volk van God, voor de kleinen, die als een kindeke geworden zijn voor het aangezicht van God, dat is voor die zich verootmoedigd hebben. Dat is voor het volk van God, dat zich wil bukken onder de vermaning van de Heere. En zo hebben we ons vandaag weer moeten verootmoedigen, want het was weer een dag van gedenken van de dood van de Heere, het was weer een dag waarop God ons dat enig offer van de verzoening heeft willen voorhouden. Het was weer grote verzoendag, want we hebben de enige Hogepriester Jezus Christus zien binnengaan achter het voorhangsel in het binnenste heiligdom.

Zo hebben we weer moeten erkennen, dat we midden in de dood liggen en dat we het moeten hebben van het bloed van de verzoening. Dat we buiten in de voorhof staan en dat we het niet wagen durfden om binnen het heiligdom te komen. En dat de Heere Jezus nu voor ons moest binnengaan, opdat wij zo mogen toegaan tot de troon van de genade, door het offer van Christus, door dat lijden en die dood, opdat we zo naar God mogen gaan door de bloedpoort van het Lam van God. Daarin werkt de Heere Zijn werk op de aarde. Daarin gaat Zijn zoekende liefde tot ons uit. Daarin doet Hij ons naderen om te wonen in Zijn huis.

Maar als zo de Heere Zijn werk op aarde werkt tot redding van Zijn volk, dan gaat daar het werk van den Satan tegenin. Hij is de grote tegenstander van God. En als God werkt, als God Zijn verlossing openbaart in Jezus Christus, dan werkt en worstelt en woelt de Satanische macht daar tegenin. En als de Satan zich dan op de wereld werpt, dan grijpt hij niet slechts naar de wereld, maar ook naar de kerk, dan grijpt hij niet slechts naar de goddelozen, maar dan brengt hij de kinderen van God in de zitting.

En dan zet Hij tegenover ieder werk van God tot redding van de wereld zijn werk, zijn invloed, zijn macht en zijn inwerking op het leven van de mensen. En zo laat Satan de voorhof van het huis van God niet vrij en zo ontziet hij de grote verzoendag niet. Maar hij werkt in de voorhof en op de grote verzoendag. En hij stelt tegenover de besprenging met het bloed in het Heilige der Heiligen zijn werk onder het volk in de voorhof.

In vers 29 wordt dat Satanische werk op de grote verzoendag genoemd. Want er wordt daar gesproken van alle ziel, die zich op die dag niet verootmoedigt. Die dus eet en drinkt en de Heere niet ontmoeten wil in de verzoening van de zonden alleen. Die het niet verwacht van het bloed van de besprenging, die het niet verwacht van het offer voor de schuld, niet van de ontfermingen en barmhartigheden van God, die daarom niet buigt op de grote verzoendag, maar die op de dag van de verootmoediging en van de vasten brood eet en arbeid verricht, die dus het leven laat doorgaan, het leven van alle dag en het niet wil stil zetten om Gods wil, die niet de alledaagse gang wil onderbreken om met zijn zonde tot de Heere te komen ter verzoening.

Dat is het werk van Satan tegen het werk van God. Dat is het verleiden van de mensen uit die voorhof weg en van die verzoendag af, dat hij stelt tegen het werk van Jezus Christus, tegen de bloedstorting van de enige Hogepriester, tegen de besprenging van het verzoenbloed in het hemelse heiligdom voor de troon van God.

We hebben vandaag weer de gedachtenis van die groten verzoendag gevierd, we hebben het voor onze ogen gezien en geproefd met de tong, dat de Heere Jezus verbroken is tot een verzoening van al onze zonden. En we moesten ons verootmoedigen, we moesten het erkennen: niet ons, niet ons, o Heere , maar Uw Naam alleen. En zo moesten we eten van het brood en drinken van de wijn. En zo moesten wij betuigen, niet dat wij volkomen en rechtvaardig in onszelf zijn, maar dat we midden in de dood liggen en het van Jezus Christus en het bloed van de verzoening moeten hebben.

En zoals de Satan zijn werken deed in den voorhof op de grote verzoendag, zo doet hij ook dat zelfde werk in de viering van het Avondmaal als de gedachtenis gevierd wordt van die grote verzoendag op Golgotha, die allergrootsten verzoendag, die alle verzoendagen vervult. Want hij laat de avondmaalszondag niet vrij en hij ontziet niet de tafel van de Heere. Ja, we hebben vandaag het werk van God gezien: gebroken brood en vergoten wijn. Maar daar werkt de Satan tegenin en zo werkt hij onder het volk van God, dat het zich op de Avondmaalszondag niet buigt en niet erkent en niet zich verootmoedigt en niet de gedachtenis viert van die grote verzoendag aan het kruis.

En zo staat daar tegenover het werk van God in de maaltijd van het Verbond het werk van de Satan in die Avondmaalgangers, waardoor hij in worstelt tegen de bediening van de verzoening. O, dat Avondmaal staat met heel die worsteling van Satan in verband. U weet wel, het Avondmaal is niet een stille plechtigheid, niet een liefelijke ceremonie ver van het aards gewoel.

God heeft die tafel midden in de strijd gezet, midden in het woelen en werken van de geesten, midden in het front, waar de hemel en de hel elkaar raken. En zo wil Hij ons geloof versterken, opdat wij in die strijd niet onder liggen. En Hij versterkt dat geloof als wij Hem niet in weg gaan staan, als wij als Zijn verootmoedigd volk de gedachtenis van de grote verzoendag willen vieren.

Ja, de Satan speculeert erop, dat wij ons niet verootmoedigen en daarom blaast hij alle mensen-grootheid in ons aan, alle zelfgevoel en alle zelfrespect, zodat we het hoofd gaan opheffen, als God het niet verhoedt, dat we het zelf willen en zelf kunnen, dat we niet willen behouden worden in het bloed van de verzoening.

Zo kunnen we de Avondmaalszondag doorbrengen zonder verootmoediging en dan gaan we morgen weer verder als dezelfde mensen. En toch moet de Avondmaalszondag U doen buigen voor het werk van God in verootmoediging, toch moeten we de Heere ontmoeten in het bloed van de verzoening.

Hebt u zich verootmoedigd, die ook vandaag weer uit gewoonte bent weggebleven van de dis van het verbond? Ja, ik weet het, dat u dat in vrome woorden in kleedt. U zegt misschien wel, dat u dat alles u zo maar niet wilt toeëigenen. Dan moet u vandaag wel een benauwde dag gehad hebben. Want dat is toch ontzettend: in ons dorp, in onze kerk de bediening van de verzoening en dan van verre te moeten blijven staan.

Of is deze zondag soms een heel rustige dag voor u geweest, hebt u zich maar van de bediening van de verzoening onttrokken zonder te beven voor de Heere, dan hebt u zich vandaag niet verootmoedigd, dan hebt u zich onderworpen aan het werk van de Satan en heeft Christus niet in u kunnen werken. Dan bent u bezig u te verharden. En dan is er maar één weg: buigen voor de Heere en erkennen: Ja, ik heb U het brood laten breken en de wijn laten vergieten, maar ik ben U voorbijgegaan.

En u, die uw plaats hebt ingenomen aan de tafel van de Heere, hebt u zich vandaag verootmoedigd? Bent u gegaan omdat het nu eenmaal weer de tijd was, of hebt u zich neergebogen voor God en kunt u Hem nu in dit uur dankzeggen voor dat bloed van de verzoening: Heere, ik dank u, dat U mij vandaag Uw sacrament hebt willen bereiden.

Wat is het Avondmaal dikwijls voor ons? Een plechtigheid in de kerk, die ons soms beklemmen kan. We zijn dikwijls blij, dat het maar voorbij is. En toch kwam de Heere ons vandaag weer roepen om ons te verootmoedigen, om onze schuld te erkennen, om te belijden, dat wij in de strijd vaak onderliggen, om het voor God en de mensen te belijden, dat wij de reiniging van ons leven inwachten van het bloed van de verzoening.

Als zo alle mensenhoogheid bezwijkt, als we zo afzien van alle eigen kunnen, alle eigenwaarde, alle eigen vertrouwen, dan vinden we de verzoening van ons leven in het bloed, dat gevloeid heeft, in de pijn, die geleden is, in die dood, die geproefd is door onze barmhartige Hogepriester Jezus Christus en dan belijden we onze zonden en roemen in de verlossing:
Een stroom van ongerechtigheden had de overhand op mij Ps. 65:2.

We horen nu ten slotte nog wat de Heere hierin tot Zijn volk te zeggen heeft. De Heere doet Zijn waarschuwing nog tot ons uitgaan: Zo zegt Hij door de dienst van Mozes: alle ziel, die op die dag niet verootmoedigd zal geweest zijn, die zal uitgeroeid. worden uit haar volken.

Dat was het werk van Satan, waarmee hij in worstelde tegen het werk van God, tegen de grote verzoendag in. God zei, dat Zijn volk zich verootmoedigen moest, ze mochten niet eten en ze mochten niet werken. En zo moest het hele leven stilstaan opdat Israël Zijn God ontmoeten zou in het bloed op het verzoendeksel.

Maar dan stelde de Satan daar zijn macht tegenin en dan wilde hij de mensen verleiden om zich niet te verootmoedigen, niet te vasten, niet de arbeid stil te leggen. Maar nu komt de Heere hier Zijn volk waarschuwen: alle ziel, die op die dag niet verootmoedigd zal zijn geweest, die zal worden uitgeroeid. Die zal worden gestoten uit de gemeenschap tussen God en Zijn volk. Die zal geen deel hebben aan de verzoening in het heiligdom en die zal in zijn zonde blijven.

Zo, broeders en zusters, is het ook op de grote verzoendag van het N.T. waarvan we heden de gedachtenis gevierd hebben. Daarin werkt de Heere Zijn werk op aarde. Hij wil dat wij Hem ontmoeten in verootmoediging. O ja, we hebben vandaag gegeten, we hebben niet gevast, maar toch vraagt de Heere, dat we ons bij de gedachtenis aan de grote verzoening diep voor Hem zullen buigen.

Toch eist God, dat we in eerbied zullen staan om dat gesprengde bloed van de verzoening, dat we alles in ons leven, onze arbeid. en ons gezin, en ons eten en drinken, heel die gewone gang van ons leven zullen achterstellen bij dat grote en geweldige, dat Hij van ons vraagt: Maak u gereed om uw God te ontmoeten. Om Hem te zien in het verbroken brood en de vergoten wijn, om voor Hem te verschijnen met de erkenning, dat we een schuldig volk zijn, die alleen maar kunnen leven bij de gratie van het bloed, dat gevloeid is uit de wonden van het verscheurde lichaam van onze Heere Jezus.

Daar gaat het vandaag om, dat we bij de viering van de grote verzoendag onszelf niet handhaven tegenover God en onszelf niet voor Hem verstoppen in het leven van arbeid en eten en drinken. Maar dat we erkennen, dat de Heere, nu het brood en de wijn voor ons bereid werd, ons te voorschijn komt halen uit onze verberging voor Hem, zodat we tegenover Hem staan en Hem zien op onze grote verzoendag van oog tot oog, dat we zien dat kruis als een opgericht teken van de verzoening.

En dat we dan leren luisteren naar de roepstem van de Heere: alle ziel, die zich bij dat kruis en dat bloed en die verzoening, en ook, alle ziel, die zich bij de viering van de gedachtenis van die grote verzoendag van God zich niet zal verootmoedigd hebben, die zal worden uitgeroeid, die zal geen deel hebben aan de genade, die de Heere ons vandaag weer verzegeld heeft.

Maar in die waarschuwing van de Heere blinkt toch weer Zijn belofte door: elke mens, die zich voor Hem verootmoedigt, die voor Hem wil buigen om Zijn barmhartigheden te smaken in het offer van Jezus Christus, die zal daarin het leven vinden.

Want het is het jaar van het welbehagen van God.
Het is de tijd van de genade.
Het is het uur van Gods zoekende liefde.
Het is de grote verzoendag.

Amen.