Preek van ds. J.W.Tunderman

gehouden te Helpman

op 18-02-1940


Tekst Matth. 26:47-56

40 : 8
139 : 14

Schriftlezing:
Matth.26:36-46

Gethsémané
36Toen ging Jezus met hen naar een plaats die Gethsémané heette, en zei tegen de discipelen: Ga hier zitten, terwijl Ik daar ga bidden.
37En Hij nam Petrus en de twee zonen van Zebedeüs met Zich mee en begon bedroefd en zeer angstig te worden.
38Toen zei Hij tegen hen: Mijn ziel is zeer bedroefd, tot de dood toe; blijf hier en waak met Mij.
39En nadat Hij iets verder gegaan was, wierp Hij Zich met het gezicht ter aardeen bad: Mijn Vader, als het mogelijk is, laat deze drinkbeker aan Mij voorbijgaan. Maar niet zoals Ik wil, maar zoals U wilt.
40En Hij kwam bij de discipelen en trof hen slapend aan en Hij zei tegen Petrus: Kon u dan niet één uur met Mij waken?
41Waak en bid, opdat u niet in verzoeking komt; de geest is wel gewillig, maar het vlees is zwak.
42Opnieuw, voor de tweede keer, ging Hij heen en bad: Mijn Vader, als deze drinkbeker aan Mij niet voorbij kan gaan zonder dat Ik hem drink, laat Uw wildan geschieden.
43En toen Hij bij hen kwam, trof Hij hen opnieuw slapend aan, want hun ogen waren zwaar geworden.
44En Hij liet hen achter, ging nogmaals heen en bad voor de derde keer met dezelfde woorden.
45Toen kwam Hij bij Zijn discipelen en zei tegen hen: Slaap nu maar verder en rust; zie, het uur is nabijgekomen dat de Zoon des mensen overgeleverd wordt in de handen van zondaars.
46Sta op, laten wij gaan; zie, hij die Mij verraadt, is dichtbij. (Herziene Statenvertaling, 2010)

Tekstlezing:
Matth.26:47-56
Jezus geeft Zich gevangen
47En terwijl Hij nog sprak, zie, Judas, een van de twaalf, kwam er aan en met hem een grote menigte, met zwaarden en stokken, gestuurd door de overpriesters en oudsten van het volk.
48Hij die Hem verraadde, had met hen een teken afgesproken en gezegd: Degene Die ik kussen zal, Die is het; grijp Hem.
49En hij ging meteen naar Jezus toe en zei: Gegroet, Rabbi! En hij kuste Hem.
50Maar Jezus zei tegen hem: Vriend, waarvoor bent u hier? Toen kwamen zij dichterbij, sloegen de handen aan Jezus en grepen Hem.
51En zie, een van hen die bij Jezus waren, stak zijn hand uit, trok zijn zwaard, trof de slaaf van de hogepriester en sloeg hem het oor af.
52Toen zei Jezus tegen hem: Doe uw zwaard terug op zijn plaats, want allen die naar het zwaard grijpen, zullen door het zwaard omkomen.
53Of denkt u dat Ik Mijn Vader nu niet kan bidden, en Hij zal Mij meer dan twaalf legioenen engelen ter beschikking stellen?
54Hoe zouden anders de Schriften vervuld worden, die zeggen dat het zo geschieden moet?
55Op dat moment sprak Jezus tot de menigte: Bent u er met zwaarden en stokken opuit gegaan als tegen een misdadiger om Mij te vangen? Dagelijks zat Ik bij u in de tempel om onderwijs te geven en u hebt Mij niet gegrepen,
56maar dit alles is geschied, opdat de Schriften van de profeten vervuld zouden worden. Toen verlieten al de discipelen Hem en vluchtten. (Herziene Statenvertaling, 2010)

69:4, 6 en 14
Gez.5:1

Helpman

18-2-40

Gemeente van onze Heere Jezus Christus,

Christus is gekomen in een wereld, die gebonden ligt onder de vloek van de zonde. Niemand is vrij in dit leven. De helden, de wijzen, de beheersers, de leiders en de edelen, de priesters en de profeten, Israël en de volken, het ligt alles geboeid in de macht van het vlees.

Christus is de Enige, Die vrij is. Als de Ongeboeide is Hij in de wereld verschenen. Die gebondenheid van het hele leven is Christus een voortdurende smart geweest. Overal waar Hij het leven aanraakte, zag Hij het in de boeien liggen.

Dat is voor Hem, Die hijgde naar de ontbinding van het leven een onzegbare marteling geweest. Daarin heeft God de ongerechtigheid van ons allen op Hem doen neerkomen. Hij heeft de vloek gedragen. Het is Hem toegerekend. Plaatsvervangend heeft Hij voor ons geleden. En Zijn lijden is verzoenend geweest.

Maar dit, dat de ongerechtigheid van ons allen op Hem is neergekomen, is meer dan dat de schuld Hem is toegerekend, dat Hij voor ons tot zonde wereld gemaakt en zo de straf op Hem was.

Het lijden is in deze weg tot Hem gekomen, dat tegen Hem en tegen de genade van God, die Hij verkondigde, door de mensen gezondigd is en zo uit ons vlees de verdrukking omhoog komt. Ieder woord, dat tot de Christus op Zijn lijdensweg wordt gesproken, is verloochening en verraad, en iedere daad die Hem wordt aangedaan is een gruwel. In de Farizeeërs en Schriftgeleerden, in Pilatus en Herodes, in Johannes en Petrus, in Zijn discipelen en vrienden ontmoette Christus de ontzettende gebondenheid van het vlees.

En Hij is in dat alles ook door de Zijnen niet gezien en erkend als de Zoon van God, Die vrij is van alle boeien. Zij hebben de heerlijkheid van Zijn vrijheid niet gezien.

Jezus heeft dit de Zijnen aan de vooravond van Zijn lijden gezegd, toen Hij tot Zijn discipelen sprak: voorwaar, voorwaar, Ik zeg u, U zult in deze nacht allen aanstoot aan Mij nemen, u allen, die Mij gevolgd zijt. En dan ziet Jezus over Zijn discipelen heen. Hij weet dat al de Zijnen gebonden liggen. Zoals deze elf zijn, zo zijn ook de anderen. U zult in deze nacht allen aanstoot aan Mij nemen, u allen, alle vlees, al wat mens genoemd wordt.

Zo heeft Christus het verstaan, dat allen aanstoot aan Hem nemen, aan Hem, dat is aan God en de wegen van de liefde, omdat Hij niet gezien wordt als de Ongebondene, Die gekomen was om het leven uit de boeien vrij te maken.

Zo heeft Christus als de Ongeboeide gestaan aan de ingang van de hof Gethsemane. En dan komen uit dat geboeide leven van het vlees de machten op. Onze ongerechtigheden komen op Hem neer en de hand wordt aan Hem geslagen en de koorden worden Hem om de polsen gesnoerd. Zij binden Jezus Christus met hun touwen.

Ik predik u Christus als de Ongeboeide, Die Zich liet binden, opdat Hij ons zou ontbinden en wij zien Hem lijdende onder

de kus van Judas,
de zwaardslag van Petrus,
het geweld van de bende en
het vluchten van al de discipelen.

Wij moeten hier Christus als de Ongeboeide zien.
Dan alleen verstaan wij Zijn lijden en gehoorzaamheid in het Zich laten gevangen nemen. En dan verstaan wij iets van de ontzetting, die over Jezus kwam, toen Hem de handen gebonden werden. Christus is als de Ongeboeide verschenen in de wereld. Hij is van de Vader gezonden om de gevangenen vrijheid uit te roepen. Dat is de bevrijdende daad van God in Jezus Christus.

Wij zijn gebonden door de ongerechtigheid. Zonde baart zonde en de zonde baart de dood. Het is een keten van onverbreekbare schakels, waarin het vlees gebonden ligt. Daarin zijn wij geen onschuldige slachtoffers. Het is geen noodlot, dat over ons kwam, geen historische noodzakelijkheid. De overgave van het leven aan de gebondenheid van de zonde, dat is de laatste vrije daad van het vlees geweest. Nu ligt alles gebonden. Binnen die sfeer van de gebondenheid is ons nog wel vrijheid gelaten, evenals een gevangene, die nog vrij in zijn cel mag rondlopen of een geboeide, die nog ongehinderd met zijn ketenen rammelen kan.

Daarom bleef er in ons leven nog ruimte over - gevangenisruimte waarin wij een dwaze vrijheidswaan konden koesteren. Ik kan de hand nog bewegen en de tong nog roeren. Ik kan nog doen wat ik wil en verkies. Maar als van vrijheid wordt gesproken buiten de Christus om, dan hoort u slechts met de kettingen rammelen. En hoe wij dan ook worstelen in de boeien, ze knellen al vaster en nauwer aan. Al het roepen van vrijheid bevestigt te meer onze gebondenheid.

Alleen indien de Zoon u zal vrijgemaakt hebben, zo bent u waarlijk vrij. De Zoon van God is gekomen in deze wereld, ongeboeid en ongebonden. Hij heeft geleefd en gewerkt in de waarachtige geestelijke vrijheid.

Waarachtige vrijheid is niet dit, dat wij doen wat we willen. Echte vrijheid is hierin gelegen, dat wij Gods wil doen met geheel ons hart, uit louter liefde en in vrijwillige overgave.

Zo was Christus vrij, want Hij kwam om Gods wil te doen. En Hij is gekomen om het leven vrij te maken, om de wereld deze waarachtige vrijheid te schenken. Hij kwam de deuren van de gevangenis openbreken en de boeien verbrijzelen, opdat wij in Zijn vrijheid zouden wandelen en Gods wil zouden volbrengen met een volkomen hart.

Daartoe moest Hij Zich vrijwillig laten binden. In die vrijwilligheid moest Hij Zijn vrijheid handhaven, waarachtig geestelijk vrij blijven tot op de laatste uren aan het kruis om Zich ongeboeid en ongedwongen in liefde Zich te geven tot een offer voor de zonde.

Christus is voor dat lijden teruggesidderd. Zijn vlees verhief Zich tegen die pijn en de schande. Dat was de zuivere, zondeloze afkeer van Zijn heilig hart tegen de smart en de dood. In die weerzin tegen het lijden was Hij het vlekkeloze Lam van God.

In de hof van Gethsemane heeft Christus op de grond geworsteld om Zijn eigen afkeer van het lijden te overwinnen, om te volharden in de vrijheid van Zijn vrijwillige Zelfovergave.

Die gebedsstrijd in de hof is de geweldigste worsteling om waarachtige geestelijke vrijheid geweest, die ooit in de wereld doorstreden is. Driemaal zinkt Christus op de grond. Driemaal staat Hij op. En als Hij dan voor de derde maal op staat, dan is Hij Overwinnaar. Hij heeft de vrijheid behouden. Hij kan Zich nu geven in louter liefde om Gods wil te volbrengen. Zijn hart heeft gezegevierd. Want vrijheid is niet een zaak van de hand of de mond maar een zaak van het hart, dat vrij is in God.

Zo staat Christus dan in die nacht als de Ongeboeide in Gethsemane. Hij is bereid om Zich nu de handen te laten binden, omdat Zijn hart het lijden reeds overwon. Hij wil Zich geven om Zich aan het kruis te laten hechten, omdat Hij nu in liefde die dood en die verschrikking aanvaard heeft.

En als Christus Zich dan in de ongeboeide kracht van Zijn liefde Zich van de grond verheft, dan komen daar de machten van het geboeide vlees op Hem aan, om Hem te binden en te boeien, om Hem mee te nemen en te dwingen en te persen en te knevelen, om Hem aan de geselpaal vast te maken en aan het kruis te klinken.

Onze ongerechtigheden zijn op Hem neergekomen. De ergernis, die uit ons vlees tegen Hem als de ongeboeide Zoon optoornt, heeft Hem de bittere lijdensbeker bereid. Zij zullen allen aan Mij geërgerd worden. Zoals deze zijn, zo zijn allen, zo is alle vlees.

Judas komt daar met de bende, met zwaarden en knuppels en flambouwen. Ze komen Hem binden alsof Hij niet het ongebonden Lam van God was, Die in het gebed Zichzelf overwon om Zich te geven. Hij wordt niet gezien en erkend als de Enige, Die vrij is door de liefde van Zijn ganse hart. Ze komen Hem pressen en dwingen, met wapengeweld en overmacht van dwang, met touwen en koorden en reserves van mannen en zwaarden.

En dan treedt Judas uit die kring te voorschijn. Hij had hun een teken gegeven: die ik kussen zal, Die is het. Grijpt Hem. En dan slaat Judas de armen naar Jezus uit en hij drukt Hem een kus op de lippen, de kus van het verraad.

En hij zegt: wees gegroet, Rabbi. Dat is de kus van de hulde. Wanneer de leerling de meester kuste, dan was die kus een teken van eerbied. In die kus werd het onderwijs van de meester als waarheid aanvaard. Die kus heeft Jezus lippen geschroeid als een brandmerk. Want de mens moet eerst leren kussen om vals te kunnen kussen. Jezus heeft de Zijnen geleerd Hem te kussen.

Hij is gekomen om het leven vrij te maken van de vloek. In Israël heeft Hij plaats voor Zich bereid. Daar brandde de kandelaar van het Woord en de kennis Gods. Daar was het licht van de wereld ontstoken. En daar is in Davids troon het Koninkrijk van de vrijheid opgericht. Daar straalde het heilige licht uit over de wereld van de volken, over degenen, die gebonden zaten in de schaduw van de dood.

Over die gebonden wereld van de volken is de roep uitgegaan, dat de vrijheid geopenbaard was in de Messias van Israël. En zo gaat dan in Davids dagen de stem uit over de hele wereld: Kus de Zoon, opdat Hij niet toorne.

En als Christus dan in de wereld komt, dan openbaart Hij Zich onder dat volk Israël, onder het volk, dat van de vrijheid heeft gehoord, aan wie de losmaking van alle banden was toegezegd.

En hoe ligt dat volk geslagen in de boeien van de valse vrijheidszucht. Hoe willen ze zich losmaken van de weg van de liefde van God en zelf met eigen hand hun gerechtigheid werken. Hoe zijn ze weggezonken in de onvrijheid en hoe ligt heel het leven omwoeld met de ketenen van de zonde!

Toen heeft Hij Zich doen kennen in Zijn wijsheid, in Zijn waarheid en barmhartigheid. Hij, de Ongeboeide, heeft de handen uitgestrekt naar het geboeide leven om de banden los te maken en de vrijmaking te prediken.

En dan komt uit het midden van dat gebonden volk tot Hem al wat de Vader Hem gegeven heeft. Daar komen mannen, die iets van de heerlijkheid van Zijn vrijheid gezien hebben en die toen leerden belijden: U bent de Christus, de Zoon van de levende God. Toen heeft Christus Zijn discipelen geleerd Hem te kussen. Kust de Zoon, want indien de Zoon u zal vrijgemaakt hebben, zo bent u waarlijk vrij.

Maar uit hun vlees komt telkens het verzet en hier komt een van de twaalven Hem kussen. Het is de valse kus: Meester het is de waarheid, wat u spreekt, gezegend zijn uw lippen. Zo is die kus het teken van de aanbidding en van de overgave. Ze is het gebaar van degenen, die tot Christus kwamen. Het is de belijdenis van het geloof. Wie de Christus kust, erkent Hem als de Gezondene van de Vader.

Maar het is hier de kus van het verraad. Hier wordt de Christus met de kus van een mond beleden als de Ongeboeide, die gekomen was om de wereld vrij te maken. Maar die kus is een leugen. In die kus wordt de Zoon van de Mensen verkocht in de handen van Zijn moordenaars. In die kus brandt het verzet van het vlees tegen Christus, Die verlossen kwam. In het vlees broeit altijd de dreiging van de valse kus. Het zijn onze ongerechtigheden, die op Hem neerkwamen.

En dan vraagt Jezus: vriend, waartoe bent u hier, verraadt u de Zoon van de mensen met een kus?

Uit de gemeenschap van de Zijnen komt de kus van het verraad. Het zijn geen verraders, die Hij riep. Maar het verraad is er wel in. En het vlees van die anderen, die Hem niet verraden, is niet anders dan het vlees van Judas. Naar het vlees zijn wij hem gelijk. Judas is door Christus getrokken. Eerst tegen het einde komt de oude geldgierigheid weer in hem omhoog en wordt hij een dief. Judas is onder de bekoring van Christus geweest. Wat zocht hij er? Hij heeft bij Jezus de bevrediging van de valse vrijheidswaan gezocht. Zichzelf te kunnen zijn en zichzelf te kunnen blijven, dat heeft Judas gedreven, onbekeerd en ongebroken, zonder de ontdekking aan eigen gebondenheid.

Zo is er de valse Judaskus in de kerk, het zoeken van Jezus zonder waarachtig vrijgemaakt te worden door de Zoon des mensen, het gebruiken van Jezus, het exploiteren van Jezus, het zoeken van Jezus niet om Hemzelf, maar om iets anders. Dat wordt door de Christus ontdekt: vriend, waartoe bent u hier? Waarom doet u mee met de kerk en met het christelijk leven? Dit zoeken van Jezus breekt altijd door tot de kus van het verraad, toen in de hof en nu in Zijn gemeente.

Kust dan de Zoon in de waarachtige erkenning, dat Hij gekomen is om het leven vrij te maken van de vloek, om ons los te maken uit de boeien van de zonden en om ons te redden uit de macht van het eigen vlees.

En dan lijdt Christus ook onder de zwaardslag van Petrus. Petrus werd gedreven door brandende liefde tot Christus. Maar het vlees van Petrus is aan dat van Judas verwant. De valse vrijheidswaan dreef hem uit om met het zwaard te slaan.

Ik spreek hier niet over de vraag wanneer we met het zwaard mogen slaan. Het zwaard is een gave van God niet aan deze of gene, maar aan de overheid. De overheid mag met het zwaard slaan, niet naar eigen lust en behagen, niet om geweld te oefenen en om de wereld om te keren. Indien de overheid zo slaat met het zwaard, dan is ze een moordenares.

Dat zwaard is heilig en moet heilig worden gehouden door de overheid en door de onderdaan. Maar het zwaard in dienst van Christus, dat is door God gevloekt. Wij ontvingen het zwaard van de Geest, hetwelk is Gods Woord.

Petrus trekt het zwaard en slaat de dienstknecht van de hogepriester het oor af. Daarin wordt de gebondenheid van het vlees weer openbaar. Petrus was geroepen om te strijden met het enige zwaard, dat God de Zijnen geeft: met het getuigenis van het geloof, met de belijdenis van de Christus. Want alleen door die belijdenis zal de wereld aan de Christus toevallen en overwonnen worden. Dit is de overwinning die de wereld overwint namelijk ons geloof.

Tot deze waarachtig geestelijke strijd heeft Christus de Zijnen geroepen. Deze strijd kan alleen gestreden worden door de vrijmaking van Zijnentwege door de Geest van de genade en van de vrijheid. Tot deze strijd moeten we worden losgemaakt van alle banden van de ongerechtigheid. Want alleen in deze waarachtig geestelijke vrijheid kan zo voor de Christus gestreden worden.

En hier komt Petrus openbaar in de gebondenheid van het vlees. Hij was geroepen om dat te doen wat Judas zo vals en verraderlijk heeft gedaan: om de meester te kussen, om Hem te belijden als de Ongeboeide, Die Israël kwam vrijmaken van alle ongerechtigheden. Als het daarop aankomt - nu dan staat Petrus binnen het uur Zijn meester te verloochenen met een vervloeking. Hij laat de roeping om de Christus te belijden liggen en slaat als een dolleman met het mes om zich heen.

Onder dit wapengebruik heeft Christus geleden. Omdat Hij hierin miskend werd als de Ongeboeide, Die overwon door Zijn vrijwillige overgave en door het volbrengen van de wil van Zijn Vader met zijn hele hart. Hierin wordt Christus verloochend. De valse vrijheidswaan, die Judas had voortgedreven tot de kus van het verraad, wordt machtig over Petrus en hij houwt er op in. Hetzelfde vuur, dat Judas in een laaiende brand heeft gezet wordt ook in Petrus' hart ontstoken. Het is het vuur van de ergernis aan deze Christus, Die Zich laat nemen en binden en wegvoeren zonder verweer.

Gij allen zult aan Mij geërgerd worden. Want alle vlees ergert Zich aan de Christus, Die al onze middelen en wegen versmaadt en al onze wapens van kracht en berekening verwerpt en alleen overwint door Zijn Geest. Onze ongerechtigheden zijn op Hem neergekomen.

Meent gij, dat Ik de Vader niet bidden kan en Hij zal Mij twaalf legioenen engelen ter beschikking stellen? Christus heeft wel de kracht van het geweld. Het is geen tragisch noodlot, dat Hem overkomt. Hij neemt het lijden vrijwillig op Zich en Hij houdt Zijn koninklijke krachten in om eerst door Zijn lijden de wereld vrij te maken van de vloek.

En dan zal Hij oprijzen op Zijn tijd om Zich te openbaren gelijk Petrus het had gewenst. Eerst moeten de Schriften vervuld worden en moet de Christus lijden om alzo tot Zijn heerlijkheid in te gaan en straks te verschijnen als de Koning van God op de wolken van de hemel met meer dan twaalf legioenen engelen.

Eerst moest de Christus lijden, lijden onder onze ongerechtigheden, onder de dwaasheid van ons vlees en onder dat geweld van de sterke arm, die niet gedreven en gedragen wordt door de Geest, maar gevoed en geprikkeld uit de valse vrijheidslusten die gekoesterd werden buiten Zijn genade, uit de drift van het leven, dat niet vrijgemaakt werd door de Zoon des Mensen en Hem niet zag in de heerlijkheid van Zijn Majesteit.

U allen zult aan Mij geërgerd worden. Nog is er in ons vlees de ergernis. Nog laten we de belijdenis liggen. Nog schroeit ons de schande te pijnlijk. In deze gebondenheid van ons vlees komt Christus ons vrijmaken, zodat Hij ons schenkt de vrucht der lippen, die Zijn Naam belijden in de vrijheid van de Geest.

En dan treden de scharen op Jezus toe en ze grijpen Hem bij de handen en aan de schouders. Ze halen de touwen voor de dag en ze snoeren Jezus handen aaneen. Hier wordt de Ongeboeide gebonden. Juist in dit Zich laten binden is Christus de Enige, Die vrij is. En van die vrijheid getuigt Hij in de woorden, die Hij spreekt: u bent uitgegaan als tegen een moordenaar met zwaarden en stokken om Mij te vangen.

Dagelijks zat Ik bij u, leerde in de tempel en u hebt Mij niet gegrepen. Maar dit alles is geschied opdat de Schriften vervuld zouden worden. Hierin handhaaft Jezus Zich als de Ongeboeide, Die in waarachtige vrijheid, in de liefde van de Vader Zich overgeeft om als het Lam van God gebonden te worden op het altaar.

Dit wordt ons nog duidelijker als we even letten op de woorden, die Lucas erbij vermeldt: Maar dit is uw uur en de macht van de duisternis. Er staat een woord, dat van bevoegdheid spreekt. Dit is uw uur en de bevoegdheid van de duisternis.

Christus heeft dagen, weken, maanden lang in de tempel geleerd. En de Overpriesters zonden eenmaal de wacht uit om Jezus te vangen. Ze namen stenen op om Hem te stenigen. Ze hielden samen raadslag om Hem te doden. En telkens lezen wij: maar Hij ontging aan hun handen, want Zijn uur was nog niet gekomen.

Jezus geeft Zich ongeboeid en in volle vrijheid over als het Lam van God. Maar daarom kan niemand tot Hem naderen en niemand Hem aanraken voordat Zijn uur gekomen is. Hij staat boven de machten die Hem het lijden zullen aandoen. Want heel de macht van Kajaphas en Pilatus is niets dan het offerinstrument in de hand van de Hogepriester van onze belijdenis. In die instrumenten gloeit het geweld tegen Hem. Maar ze kunnen Hem niet raken, totdat Zijn uur gekomen is en Hij de duisternis bevoegdheid geeft om de hand aan Hem te slaan.

En dan komen ze met hun touwen. Het is dezelfde valse vrijheidswaan, die Judas gedreven had tot zijn verraderskus en Petrus tot het trekken van het zwaard. In deze schare leeft het verzet van het Israël van God tegen de Christus, Die hen kwam vrijmaken van de zonde. Het is daar alles zo verward. De een slaat naar de ander, maar allen te samen heffen ze toch de hand op tegen die Ongeboeide daar in het midden. Allen te samen rukken ze aan de ketenen en worden ze gedreven door de valsche vrijheidsleuze van het vleselijk Israël.

Het is voor Christus niet alles gelijk geweest. Hij wist van Petrus' liefde ook in die zwaardslag. Maar Hij zag toch hen allen in die massale gebondenheid van het vlees, die gebondenheid, die Hij kwam breken door Zijn vrijwillig offer. En zo strekte Hij dan de handen uit. Hij geeft de duisternis de bevoegdheid Hem nu te nemen en te binden en mee te voeren naar de rechtzaal. Hij geeft de bevoegdheid, want in die boeien, die Hem de handen samenknopen staat Hij daar toch in de vrijheid. Maar Hij gaat, juist omdat Hij vrij is en de wereld vrij wil maken. Hij gaat omdat Hij gekomen is om Zich te geven met Zijn volle hart.

Maar Hij gaat onbegrepen. Niemand heeft de majesteit van Zijn vrijheid gezien. Ook Zijn discipelen hebben het niet verstaan. Want toen vluchtten al de discipelen, Hem verlatende.

Ze waren geroepen de Meester de kussen, om bij Hem te zijn in al Zijn benauwdheden, om te getuigen dat Hij was de Christus, Die hen kwam redden door Zijn offer aan het kruis.

Niemand heeft Hem gekust dan alleen Judas, die Hem verried. Niemand heeft Hem beleden. Zij hebben Hem allen verloochend. Jezus heeft onder de elven en hun verloochening geleden. Dat verlaten-worden is Hem een pijn geweest. Want Hij wist: zo ellendig zijn ze allen.

Maar Hij heeft Zich gegeven, om het ellendige vrij te maken, om ze uit te voeren uit de gevangenis, ze los te maken van heel de waan der valse vrijheid en ze zo over te zetten in de vrijheid die waarachtig is.

Wij zien hier onze ongerechtigheden, maar we zien alles overstraald door Zijn trouw en liefde. Hij worstelt voort om ons te bevrijden, opdat wij alleen op Hem zouden vertrouwen en al wat uit eigen vlees opkomt veroordelen. En zo kust het geloof de Zoon om Zijn liefde en genade. Wij worden door Hem vrijgemaakt van de vloek en van de valse vrijheidsideeën om dan Hem na te volgen, waarlijk vrij door de Zoon des Mensen.

Hij heeft Zich laten binden, opdat Hij ons zou ontbinden.

Amen.