Preek door ds. J.W. Tunderman over Johannes 19:1

Toen nam dan Pilatus Jezus en liet Hem geselen.

 

Vrouwenpolder - 11 februari 1934

Gapinge 18 februari 1934

 

AVONDMAAL

 

Gemeente van onze Here Jezus Christus,

 

De Here heeft ons nu weer Zijn tafel bereid.

            Daarin biedt Hij ons Zijn heilig Sacrament, brood en wijn als tekenen van Zijn verbroken lichaam en vergoten bloed.

            En daarin mogen we eten de vruchten van het volbrachte werk van Christus.

            Zo dicht wil de Here het werk van Zijn Zoon bij ons brengen.

            We mogen luisteren naar de boodschap van het lijden van Christus en we beven als we staan in dat heiligdom, in die tempel van God, bij dat altaar van de verzoening.

            Maar nu mogen we vanmorgen dat lijden in de tekenen van brood en wijn ook aanschouwen.

            En we zullen eten en drinken. In het brood en de wijn, die we smaken met de tong, zullen we proeven de genade van God, die van dat zoenoffer van Christus tot ons uitgaat.

            Ter toeleiding tot de Tafel van de Here zullen we nog luisteren naar de boodschap het vergieten van het bloed, welks gedachtenis we heden vieren.

            We horen dus uit het Evangelie van de lijdende Christus, van het bloed, dat gevloeid is tot vergeving van de zonden.

            Toen nam Pilatus dan Jezus en geselde Hem.

            Jezus was van Kajafas gebracht in het rechthuis.

            Het vonnis was geveld: Hij was schuldig en moest sterven.

            Zijn bloed moest vloeien. Daarom moest Hij naar Pilatus, de Romeinse Stadhouder.

            Judas, die het proces van verre heeft bespied, schrikt op als hij het vonnis hoort. Want hij hoort de roep om het bloed en als hij die roep verneemt schrikt hij terug voor zijn eigen verraad. Hij loopt naar de tempel, roepende: ik heb verraden onschuldig bloed.

            Maar als zijn roep geen gehoor vindt, als zijn gewetenskreet overstemd wordt door de bloedschreeuw van de overpriesters, dan gaat hij buiten de stad naar de eenzame heuvels van Judea en hij hangt zich op maar het touw breekt en hij valt te pletter, zodat ook zijn bloed vloeit en wel op hetzelfde ogenblik dat het onschuldige bloed, dat hij verraden heeft,

vergoten wordt tot verzoening van de zonden.

            Dat is het verband waar onze tekst ons brengt.

            Jezus' bloed wordt vergoten.

            Driemaal heeft Christus' bloed gevloeid. Eerst in Gethsemané, waar de angst voor het lijden en de verlating Hem het bloed uit de poriën dreef.

            Straks zal Zijn bloed weer vloeien aan het kruis als Hij daar zal hangen als een Mens, Die levend geslacht is, als een offer, als een bloedoffer.

            Maar tussen die bloedstorting aan het begin en die bloedstorting aan het eind van Zijn lijden wordt hier ons verhaald van die bloedstorting in Pilatus rechthuis, in de doorgang van Gethsemané naar Golgotha.

            Want behalve Judas is nog iemand geschrokken van die roep om het bloed van die  Mens. Die andere was Pilatus, de man van het recht en hij deinst er voor terug om onschuldig  bloed te vergieten. Want daarin zijn Judas en Pilatus het eens: het bloed waarom men roept is onschuldig bloed en daarom geeft Hij zijn oordeel: Ik vind geen schuld in Hem.

            Maar hij vreest niet alleen om een onschuldige te veroordelen, nee, hij vreest ook de overpriesters en ouderlingen.

            Pilatus is bang voor dat bloed, maar ook voor de roep om dat bloed.

            En zo tracht hij niet door de weg van het recht, maar door de weg van de verkrachting van het recht beide te ontzien: het bloed en de bloedkreet.

            Tenslotte stelt hij het volk Barabbas en Jezus voor ogen, de held van de vleselijke vrijheid en de Held Gods, die vrijmaakt van ongerechtigheden.

            En de kiest het volk Barabbas. De roep om het bloed bleek niet te smoren. En dan moet Pilatus kiezen. Wie zal hij ontzien: het bloed of de schreeuw om het bloed? Pilatus wordt zeer bevreesd.

            Hij kiest. Hij kiest. En wat kiest hij?

            Toen nam Pilatus dan Jezus en geselde Hem. Pilatus kiest het onschuldige bloed. Dat moet dan maar vloeien. En dan moet de roep om dat bloed maar gesmoord worden in het vergieten van dit bloed.

            En zo is onze Here Jezus gegeseld.

            Zo striemden de gesels neer op Zijn strakgespannen rug.

            Die geseling was een ontzettend bloedbad. Het vlees werd opengescheurd, zó, dat zelfs de beenderen dikwijls zichtbaar werden door de voren van het openliggende vlees heen. En dan daalden daar al maar nieuwe slagen, totdat het bloed in stromen uit de wonden vloeide.

            Zo is door Christus vervuld het woord van de profeet Jesaja: Ik geef Mijn rug aan degenen, die Mij slaan.

            Dat is de bloedstorting in de doorgang van Gethsemané naar Golgotha.

            Bloed, wat is bloed.

            In het bloed zit de ziel, in het bloed zit het leven. Mijn bloed, dat ben ikzelf.

            Dat is zo reeds bij de dieren. De ziel zit in hun bloed. In dat bloed woont hun leven. Daarom wordt in het Oude Testament het bloed altijd in verband gebracht met het leven.

            Daarom mocht er ook in Israël geen dierenbloed worden gedronken. Als er een dier geslacht werd, dan moest er voor gezorgd worden, dat het bloed kon wegvloeien uit het lichaam.

            Dat bloed moest dan op de aarde worden uitgestort.

            Dat bloed moest met aarde worden bedekt.

            Want dat bloed was het leven, de ziel, het dier zelf. Dat hield de Here voor Zichzelf. Dat mochten de mensen niet drinken en dat mocht met het vlees niet gegeten worden.

            Dat moest voor de Here worden uitgegoten op de aarde.

            Daarom was het ook bij de offers om het bloed van de dieren te doen. Het bloed moest op het altaar, want het bloed was het leven, de ziel van het dier.

            En zo was het ook met mensenbloed.

            Als er mensenbloed vloeide dan werd dat door de aarde ingedronken, dan was dat de ziel, het leven, dat met het bloed wegvloeide.

            Daarom was dat bloed nooit weg. Dat bloed bleef altijd. Want altijd blijft de stem van het bloed, die roept van de aarde tot de hemel.

            Ja, dat bloed werd door de aarde ingezogen en zo door de aarde bedekt.

            Maar eenmaal zal alle mensenbloed, dat gevloeid is en door de aarde bedekt is, worden ontdekt.

            Want eenmaal zal er gehoor worden gevonden voor de stem van het bloed, die van de aarde opgaat.

             Eenmaal, in het oordeel Gods, zullen de boeken worden geopend, dat zijn de gewetens van de mensen.

            Maar dan zal ook de aarde worden geopend en alle bloed, dat door de aarde bedekt is, zal worden ontdekt en zal gaan toepen naar God.

            Zo roept nog altijd het bloed van Abel. Maar zo roept ook nog altijd het bloed, dat daar vergoten is in het Rechthuis van Pilatus.

            Wat is dat voor Christus geweest, toen Hij voelde dat Zijn bloed uit de wonden stroomde. Hij heeft dat in de zuiverheid van Zijn ziel gevoeld. En Hij wist het ook uit het Woord van Zijn Vader, uit de wet van Mozes, dat het bloed het leven is.

            Daarom heeft Hij in de geseling gevoeld de krenking van Zijn ziel, het wegdoen van Zijn leven in de aarde, de uitwerping van Zijn persoon uit de wereld.

            En Christus wist ook van die stem van het bloed, die van de aarde riep om de oordeelsdag.

            Hij wist: nu roept Mijn bloed naar de hemel om het laatste oordeel. Nu heb Ik maar te bidden en de oordeelsdag vangt aan. De engelen in de hemel staan klaar om als bliksemvuren uit de hemel te vallen en gericht te oefenen.

            O, die mensen wisten het niet, dat ze zo dicht waren bij het laatste oordeel. Pilatus en de Overpriesters, ze zagen in dat bloed niet de dreiging van de oordeelsdag, ze zagen niet de dreiging van bloed en vuur en rookpilaren.

            Ze dachten niet aan het laatste gericht.

            Maar Christus was daarmee bezig. Zijn ziel heeft al de spanningen gekend. Want Hij hoorde de stem van Zijn eigen bloed, dat riep naar de hemel op het gericht.

            En dan komen die twee in Christus' ziel tot elkaar, dan wordt Christus van tweeën geperst: van de roep van het bloed naar het gericht en van de dreiging van het laatste oordeel.

O, Pilatus moest kiezen. Maar Christus moest ook kiezen. Maar van Zijn keus hing het hele bestaan van de wereld af.

            En toen is Christus in Zijn geseling aan 't worstelen gegaan, tegen de roep van Zijn bloed in.

            Job heeft geroepen: o aarde bedek mijn bloed niet. Laat het gericht van de hemel over mijn onschuldig bloed maar komen.

            Maar Christus heeft gebeden: o aarde bedek maar Mijn bloed en laat de stem van Mijn bloed toch niet komen in de oren van de Here van de heerscharen, die gericht doet op de aarde.

            O aarde, bedek Mijn bloed en Gij, Vader in de hemel, laat de stem van Mijn bloed niet in Uw oren komen, verlaat Mij en keer U af van de stem van Mijn bloed. Laat het oordeel over Mij losbreken, maar niet over dezen. Vader, vergeef het hun, want ze weten niet

wat ze doen.

            Ja, Christus' bloed heeft gevloeid en het heeft geroepen naar de hemel om het laatste gericht, zoals alle bloed van mensen naar de hemel roept en naar de dag van de wrake.

            Maar Christus heeft gebeden tegen de roep van Zijn bloed in. En daarin heeft Hij voor ons Zijn Hogepriesterlijk werk gedaan, ook toen Zijn rug was opengereten tot één grote wond.

            En de Vader heeft dat Hogepriesterlijk gebed verhoord. De aarde heeft Zijn bloed bedekt. De hemel heeft geen acht geslagen op de stem van het bloed. Het laatste oordeel is wel gekomen, maar alleen op Hem, die daar bad om uitstel van de dag van het gericht, toen Hij daar stond gekromd aan de geselpaal.

            En Hij heeft dat gedaan om van het welbehagen van de Vader, om Zijn volk te redden van de dood.

            Om u, gemeente, te brengen de verzoening met God.

             Om u is Zijn ziel in de Hogepriesterlijke bediening ingegaan en is Zijn ziel verscheurd in dat gebed, opdat Hij Zijn ziel mocht geven in Zijn bloed, opdat de aarde Zijn bloed bedekken zou en opdat de stem van Zijn bloed niet worden zou, de stem van de bazuin, die de opening brengt van de grote gerichtsdag van God.

            O, als Hij de stem van Zijn bloed eens had laten gaan, als Hij eens niet met Zijn Hogepriesterlijk gebed was tussen-getreden bij de Vader, dan had de stem van Zijn bloed de hemel opengescheurd en dan was het oordeel begonnen.

            Maar de Here Jezus heeft gebeden en de stem van Zijn Hogepriesterlijk gebed is sterker geweest dan de stem van Zijn Hogepriesterlijk bloed.

            En nu hebben wij in dat bloed vrije toegang tot de Vader. Het oordeel is niet gekomen. Nee, de aarde heeft Zijn bloed bedekt en nu is er een heden van de genade, nu is het oordeel over Hem gekomen opdat Hij een volk zou hebben, dat in Zijn oordeel ontkoming

vindt.

            En nu gaat van dit Sacrament weer uit de boodschap van het bloed. Ja, er is aan deze tafel een stem van het bloed van Christus. Maar niet een stem, die roept om het oordeel, maar een stem, die spreekt van genade.

            Want we mogen eten en drinken het verbroken lichaam en het vergoten bloed.

            Och, als wij zo door het Woord geleid worden in het Heiligdom van Zijn hogepriesterlijk werk, van Zijn bloed en Zijn gebed, dan moeten we wel een mishagen hebben aan onszelf.

            Wie durft er aan die tafel aan te zitten? Want     wij leven niet in diep ontzag voor Christus' hogepriesterlijk werk. We leven niet alle dagen bij Zijn bloed en bij Zijn gebed en bij het oordeel van God, dat door Zijn bidden werd uitgesteld.

            En toch mogen we naderen in volle vrijmoedigheid van het geloof, want we komen niet naar het Avondmaal om daarmee te betuigen, dat we in onszelf volmaakt zijn, maar juist dat we uit het onderste van de kuil gered moeten worden door de kracht van dat bloed.

            En daarom, gemeente, kom, eet en drink. Komt ook u, die schuchter bent voor de toeëigening van het heil van Christus. Kom maar met bevende harten en laat u versterken naar de beloften van de Here.

            Want de aarde heeft toch niet dat bloed bedekt, maar God van de hemel heeft dat bloed een gedachtenis bereid in de tafel van het Verbond voor al Gods verslagen volk.

            Er gaat nog altijd een stem van het bloed van Christus uit, niet een stem, die roept om het oordeel, maar een stem, die spreekt van genade: Kom dan en laat ons te samen richten, spreekt de Here, al waren uw zonden als scharlaken, ze zullen wit worden als sneeuw al waren ze rood  als karmozijn ze zullen worden als witte wol. Want dit bloed is ons gegeven

tot een verzoening van al onze zonden.

            Kom dan tot de tafel van Hem, die voor u heeft gebeden aan de geselpaal.

Amen.